FOCUS
Keypoints
- Structurele vraag studentenwoningen houdt aan
- Uitwonen neemt toe door terugkeer basisbeurs en huurtoeslag
- Woningaanbod daalt door particuliere verkopen, tekort neemt hierdoor toe
- Institutionele interesse neemt toe dankzij goede risico-rendementsverhouding
Introductie
De markt voor studentenhuisvesting heeft de afgelopen jaren steeds meer aantrekkingskracht gewonnen onder vastgoedbeleggers, zowel in Nederland als in de rest van Europa. Volgens jaarlijkse onderzoeken van zowel de INREV Investment Intentions Survey (2026) als ULI Emerging Trends in Real Estate (2026) wint studentenhuisvesting aan populariteit bij beleggers in Europees vastgoed en staat al jaren in de top 5 van meest aantrekkelijke sectoren. De combinatie van een stabiele vraag, aantrekkelijke historische rendementen en relatief lage leegstand maakt studentenhuisvesting een interessant onderdeel van de vastgoedmarkt.
Gebruikersmarkt: vraag gestuwd door toenemende bestedingsruimte
Er blijft een groot tekort aan studentenwoningen. De vraag zal naar verwachting de komende jaren groeien, aangezien het aantal uitwonende Nederlandse studenten door meer bestedingsruimte zal toenemen. Daarnaast blijven internationale studenten naar Nederland komen. Aan de aanbodkant wordt een daling verwacht door een afname van studentenkamers in de particuliere voorraad en een dalende nieuwbouwproductie. Met name studenten in het hoger onderwijs (HO) wonen op kamers (54%), slechts 2 op de 10 MBO studenten woont uit huis. De focus bij studentenhuisvesting ligt dan ook met name op studenten in het hoger onderwijs. Demografische ontwikkelingen Demografische ontwikkelingen zorgen ervoor dat naar verwachting in het collegejaar 2032-2033 er 7,5% minder studenten aan hogere onderwijsinstellingen (HO) in Nederland zijn dan in 2024-2025. Omdat in grote delen van Europa een vergelijkbare trend plaatsvindt, zal ook het aantal internationale studenten in Nederland dalen, zij het minder hard dan de Nederlandse studenten (bron: Kences).
Nederlandse HO-studenten zijn de afgelopen decennia steeds meer thuis gaan wonen. In het collegejaar 2024-2025 woonde 56% van alle Nederlandse studenten thuis; in 2015 was dit nog 48%. Belangrijkste redenen om niet uit huis te gaan zijn de betaalbaarheid of beschikbaarheid van woonruimte. Door het afschaffen van de basisbeurs en de introductie van het sociale leenstelsel in 2015 is de betaalbaarheid sterk verslechterd. Mede hierdoor woonde in 2023 43% van de Nederlandse studenten hun hele studententijd (5 jaar) thuis. Voor de afschaffing van de basisbeurs was dit nog 31% (bron: CBS).
Herinvoering basisbeurs en aanpassingen huurtoeslag Veel studenten noemen betaalbaarheid nog steeds als de belangrijkste reden om thuis te blijven wonen, maar betaalbaarheid wordt relatief minder vaak genoemd als reden dan voorgaande jaren. De verwachting is dat de vraag naar woonruimte zal toenemen, aangezien Nederlandse studenten vanaf het eerste studiejaar de basisbeurs ontvangen, die voor uitwonende studenten hoger is. De uitwonende basisbeurs bedraagt in 2026 €324,52 per maand en dekt hiermee een groot deel van de huur van de studentenhuisvesting. Studenten uit een gezin met een lager inkomen kunnen een aanvullende beurs krijgen, daarnaast kan er door alle studenten extra geleend worden.
Naast de basisbeurs hebben de aanpassingen in de huurtoeslag een positief effect op de betaalbaarheid van studentenwoningen. Vanaf 2026 komen jongeren vanaf 21 jaar volledig in aanmerking voor huurtoeslag voor zelfstandige woningen; voorheen was dit pas vanaf 23 jaar. Deze huurtoeslag is inkomensafhankelijk maar gezien het lage inkomen komen de meeste studenten in aanmerking omdat de basisbeurs niet als inkomen geldt. De huurtoeslag kan oplopen tot €523 per maand bij een zelfstandige woning die op of boven de sociale huurgrens ligt. Jongeren van 18 tot 21 jaar kunnen in de nieuwe situatie, net als voorheen, huurtoeslag krijgen maar deze is gemaximeerd tot €395.
Nederlandse HO-studenten zijn de afgelopen decennia steeds meer thuis gaan wonen. In het collegejaar 2024-2025 woonde 56% van alle Nederlandse studenten thuis; in 2015 was dit nog 48%. Belangrijkste redenen om niet uit huis te gaan zijn de betaalbaarheid of beschikbaarheid van woonruimte. Door het afschaffen van de basisbeurs en de introductie van het sociale leenstelsel in 2015 is de betaalbaarheid sterk verslechterd. Mede hierdoor woonde in 2023 43% van de Nederlandse studenten hun hele studententijd (5 jaar) thuis. Voor de afschaffing van de basisbeurs was dit nog 31% (bron: CBS).
“HET IS DE VERWACHTING DAT HET AANTAL UITWONENDE STUDENTEN ZAL GAAN TOENEMEN”
Internationalisering onderwijs
Internationale studenten zijn een belangrijke doelgroep voor studentenhuisvesting en vormen inmiddels ongeveer 18% van de HO-studenten in Nederland. Internationale studenten hebben bij aankomst vaak direct een kamer nodig en kiezen vaker voor gemeubileerde woonruimte dan Nederlandse studenten. Daarnaast zijn zij bereid meer te betalen voor goed gelegen plekken, dicht bij onderwijsinstellingen en stedelijke voorzieningen. Het aantal buitenlandse studenten is in de afgelopen jaren hard gestegen, maar de piek lijkt bereikt. Door demografische veranderingen en beleid (zie kader) zal deze groep in absolute aantallen licht afnemen, maar het aantal Nederlandse studenten daalt iets sneller. Hiermee vormen internationale studenten een steeds groter deel van de totale studentenpopulatie, wat de vraag naar geschikte woonruimte verder verhoogt.
Ongeveer een kwart van de internationale studenten blijft vijf jaar na afstuderen in Nederland, vooral studenten uit niet-EER-landen. Veel van deze studenten vinden snel een baan, in sectoren zoals techniek, onderwijs en zorg, en verdienen na vijf jaar vaak een stuk meer dan de gemiddelde Nederlandse student. Dit goede perspectief draagt bij aan een stijgende vraag naar studentenhuisvesting, vooral in steden zoals Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Deze steden hebben hoge percentages niet-EER-studenten, vaak in combinatie met de eerdergenoemde sectoren.
TOTAAL AANTAL STUDENTEN IN HET HOGER ONDERWIJS

Bron: LMS 2025, bewerking door Achmea Real Estate
Foto: Studentenwoningen in Utrecht (Gerbrandystraat)
Foto: Studentenwoningen in Leiden (Yours)
Beleidsplannen: meer controle op internationale studenten en stimuleren van huisvesting
Door het grote tekort aan studentenwoningen staat het onder controle houden van het aantal internationale studenten hoog op de politieke agenda. Daarnaast zijn internationale studenten in financieel opzicht een grote kostenpost op de Rijksbegroting. Studenten uit de EER betalen, net als Nederlandse studenten, het collegegeld van circa €2.700 per jaar. Dit is veel lager dan de daadwerkelijke kosten, die via overheidssubsidie betaald worden aan hogescholen en universiteiten.
Mede vanwege budgettaire zaken zijn door diverse kabinetten in de afgelopen jaren voorstellen ingediend om het aantal buitenlandse studenten te beperken. Het meest concreet is de Wet Internationalisering in Balans (WIB). De wet heeft als doel de verengelsing van het hoger onderwijs in Nederland te beperken zodat het minder aantrekkelijk wordt voor buitenlandse studenten om hier te gaan studeren. In totaal moet hierdoor €293 miljoen bespaard worden. Begin 2026 ligt het wetsvoorstel, na meerdere malen gewijzigd te zijn, bij de Raad van State.
Het begin 2026 beëdigde kabinet Jetten heeft in het coalitieakkoord aangegeven dat de Wet Internationalisering in Balans niet van tafel gaat maar vooral gebruikt gaat worden om een numerus fixus vast te leggen voor niet-EER studenten indien noodzakelijk. Daarnaast moet de instroom van buitenlandse studenten gecontroleerd worden door bindende bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van Engelstalige opleidingen. Daarnaast heeft de coalitie aangegeven dat ze internationale studenten als belangrijk zien voor de Nederlandse economie. Op het gebied van huisvesting van studenten heeft het nieuwe kabinet ook diverse plannen. Zo wil het de belemmeringen voor hospitaverhuur verminderen en moeten onderwijsinstellingen zelf meer verantwoordelijk worden voor voldoende huisvesting voor internationale studenten. Ten slotte wil het nieuwe kabinet de uitwonende beurs voor studenten verhogen.
Betalingsbereidheid neemt toe
Uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting blijkt dat studenten bij het kiezen van een woning vooral letten op de kosten, het type woonruimte en de locatie. Eenkamerwoningen zijn bijzonder gewild, mits ze betaalbaar en gunstig gelegen zijn. Toch dwingt de krappe woningmarkt studenten vaak tot compromissen, wat hun bereidheid om meer te betalen beïnvloedt. Gemiddeld zijn studenten bereid om €197 extra per maand te betalen voor een zelfstandige eenkamerwoning (studio) ten opzichte van een kamer met gedeelde voorzieningen. Dit wijst op een duidelijke voorkeur voor comfort en gemak, zolang de financiële haalbaarheid binnen bereik blijft.
De groeiende vraag naar studio’s biedt aantrekkelijke kansen, vooral op locaties met goede voorzieningen. Bovendien zijn deze woonruimtes niet alleen in trek bij studenten, maar ook bij starters. Deze brede doelgroep vergroot de flexibiliteit in het gebruik en verhoogt de alternatieve aanwendbaarheid bij een eventuele verkoop of herbestemming. De figuur rechts beschrijft het verschil tussen de bereidheid te betalen en de huidige woonlasten. Hier is terug te zien dat vooral studio’s met een ruimere omvang een hoge voorkeur genieten. Daarentegen zorgt de afwezigheid van huursubsidie in het onzelfstandige segment voor lagere betaalbaarheid en daardoor lagere betalingsbereidheid.
BETALINGSBEREIDHEID (% verschil met huidige woonlasten)

Bron: LMS 2025, bewerking door Achmea Real Estate
Afnemend woningaanbod
Aanbod particuliere huursegment neemt af
Voor particuliere verhuurders die woningen aan studenten verhuren heeft nieuw overheidsbeleid geleid tot een gestegen verkoop van huurwoningen. Naast huurregulering, zoals de Wet Betaalbare Huur, hebben vooral fiscale maatregelen ervoor gezorgd dat particuliere verhuur minder interessant is. Hierdoor hebben veel verhuurders besloten hun panden te verkopen, wat het aanbod op de studentenkamermarkt verder onder druk zet en de woningnood onder studenten vergroot. Door de verkoop van private huurwoningen is het aantal studenten dat in dit segment woont in 2024 met 17.800 gedaald, naar verwachting zal deze trend in de volgende jaren doorzetten.
Daarnaast zorgt het algehele woningtekort ervoor dat veel afgestudeerden geen geschikte starterswoning kunnen vinden en hierdoor langer in hun studentenwoning blijven wonen. Het gros van de studenten (58%) blijft langer dan een jaar na afstuderen in de studentenwoning wonen. De krapte in verschillende woningmarktsegmenten draagt zo bij aan de aanhoudende schaarste in de studentenhuisvesting.
Vertraging nieuwbouw
Net zoals op de totale woningmarkt heeft ook de markt voor studentenwoningen te maken met achterblijvende nieuwbouw van woningen. In 2022 heeft de Rijksoverheid in het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) het doel gesteld om tot 2030 60.000 studentenwoningen te realiseren, dit komt neer op circa 7.500 per jaar. In de afgelopen jaren zijn deze aantallen niet gehaald: in 2024 werden er nog 5.000 studentenwoningen gerealiseerd, fors meer dan de 1.700 in 2023 maar ruimschoots onder het doel. Naar verwachting zal het aantal opgeleverde studentenwoningen in 2025 uitkomen op circa 1.500. Voor 2026 en 2027 zijn er harde bouwplannen bekend voor circa 2.800 woningen per jaar. Het lijkt er dus op dat de doelstellingen in het LAS niet gehaald gaan worden. Om de nieuwbouw van studentenwoningen te versnellen moeten gemeenten meer studentenwoningen programmeren. De concurrentie van andere essentiële woonsegmenten, zoals middenhuur- en seniorenwoningen, is hierbij echter groot.
Versoepeling hospitaverhuur
De versoepeling van hospitaverhuur, zoals aangekondigd in een voorgestelde wetswijziging, wordt ingezet door de overheid als maatregel om het tekort aan studentenhuisvesting te verlichten. Zowel het Rijk als gemeenten stimuleren deze woonvorm door regelgeving aan te passen en verhuurders te informeren over de mogelijkheden. De maatregel maakt het eenvoudiger voor particuliere verhuurders om een kamer in hun woning te verhuren, zonder dezelfde verplichtingen als reguliere verhuurders. Dit moet drempels verlagen en het aanbod van woonruimte vergroten.
De effectiviteit hiervan is echter onzeker. Het is de vraag of studenten deze woonvorm als aantrekkelijk beschouwen en of het daadwerkelijk een significant aantal extra woonplekken oplevert. Daarnaast is in sommige gevallen toestemming nodig van gemeente en/of hypotheekverstrekker. Hierdoor blijft onduidelijk in hoeverre hospitaverhuur bijdraagt aan een structurele oplossing voor het tekort aan studentenwoningen.
Tekort loopt op
Door de combinatie van het dalende aanbod, tegenvallende nieuwbouwproductie en de stijgende vraag zullen de tekorten van studentenwoningen aanhouden de komende jaren. In het collegejaar 2024-2025 lag het tekort aan studentenwoningen op circa 21.500 woonruimtes. Volgens forecast van Kences zal het tekort in 2032 stijgen tot een aantal dat tussen de 26.000 en 63.000 ligt. Het daadwerkelijk tekort zal afhankelijk zijn in hoeverre Nederlandse studenten meer zullen gaan uitwonen.
Zoals eerder geconstateerd zullen door de basisbeurs en huurtoeslag meer studenten willen uitwonen. In een scenario waarbij de voorkeur voor uitwonen stabiel zal blijven ten opzichte van de afgelopen jaren zal het tekort licht stijgen tot 26.000, dit is 10% van de voorraad en daarmee het dubbele van het totale woningtekort. Wanneer de vraag naar uitwonen bij studenten zal toenemen naar percentages zoals die voor het afschaffen van de basisbeurs zichtbaar waren dan zal het tekort stijgen tot wel 63.000 eenheden. Hiermee loopt het tekort op tot circa 20% van de voorraad aan studentenwoningen.
AFNAME PARTICULIER HUURWONINGBEZIT

Bron: Kadaster (2026), bewerking door Achmea Real Estate
"Tekorten van studentenwoningen houden aan de komende jaren”

Foto: Studentenwoningen in Utrecht (Gebrandystraat)
TEKORT STUDENTENWONINGEN

Bron: LMS (2026), bewerking door Achmea Real Estate
Historische rendementen tonen aantrekkingskracht
In de afgelopen jaren heeft studentenhuisvesting zich bewezen als een stabiele en aantrekkelijke beleggingscategorie. Tijdens de pandemie, toen andere vastgoedsegmenten onder druk stonden, bleef de vraag naar studentenhuisvesting sterk. De leegstand daalde zelfs tot 0,6%, wat lager is dan het langjarig gemiddelde van 0,8% over de afgelopen 10 jaar. Dit gebeurde doordat de studentenaantallen doorstegen, zelfs in economisch onzekere tijden. Dit toont aan hoe veerkrachtig dit segment is. Beleggingen in studentenhuisvesting, vooral in zelfstandige studentenwoningen, zorgen voor een stabiele cashflow. De gereguleerde woningen bieden relatief hoge huuropbrengsten per m² die stabiel en voorspelbaar zijn doordat ze onder het WWS stelsel vallen. Door de grote vraag is het verhuurrisico zeer laag. Dit maakt het mogelijk om aantrekkelijke looptijdsrendementen te behalen.
Huidige risicopremie biedt kansen
In het verleden werd er relatief weinig geïnvesteerd in studentenhuisvesting. Dit kwam voornamelijk door de specifieke risico’s die gepaard gingen met dit type vastgoed. Deze risico’s waren vaak onbekend of moeilijk in te schatten, vooral voor Nederlandse institutionele beleggers. Ten eerste was het concept van studentenhuisvesting in Nederland minder ingeburgerd dan in landen zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, waar het al langer gebruikelijk was om te investeren in studentenhuisvesting met bijbehorende faciliteiten en diensten. Hierdoor waren veel beleggers in Nederland minder vertrouwd met het beheer van studentenhuisvesting en de specifieke behoeften van studenten. Daarnaast waren de politieke risico’s, zoals de onzekerheid over huurtoeslag en wijzigingen in het woonwaarderingsstelsel, een belangrijke belemmering. Voor Nederlandse beleggers was het moeilijk om de impact van mogelijke veranderingen in wet- en regelgeving in te schatten, wat hen terughoudend maakte om deze markt te betreden.
Tegenwoordig zijn deze risico’s echter beter bekend en beheersbaar. De ervaring met studentenhuisvesting is gegroeid, en buitenlandse investeerders hebben geholpen het concept verder te ontwikkelen in Nederland. Beleggers hebben geleerd hoe ze kunnen omgaan met de specifieke eisen van studentenhuisvesting, van het bieden van de juiste voorzieningen, tot het omgaan met politieke en regelgevende risico’s. Bovendien is de vraag naar kwalitatief hoogwaardige studentenhuisvesting gestegen, mede door de groei van het aantal internationale studenten en de nadruk op duurzame, flexibele woonoplossingen. Dit heeft ervoor gezorgd dat de risico’s beter beheersbaar zijn geworden, waardoor beleggers nu met meer vertrouwen in de markt stappen.
Aantrekkelijke risicopremie
De risicopremie van studentenhuisvesting ten opzichte van prime woningvastgoed is aanzienlijk met een spread van ongeveer 150 basispunten. Het aanvangsrendement ligt gemiddeld 90 basispunten hoger dan in het totale gereguleerde huursegment. Historisch gezien bieden beleggingen in studentenhuisvesting een rendement dat vergelijkbaar is met dat van residentieel vastgoed, maar met een lagere volatiliteit. De afnemende risico’s, de lagere rendementsvolatiliteit en de vergelijkbare rendementen ten opzichte van residentieel vastgoed maken de huidige prijsstelling van studentenhuisvesting aantrekkelijk.
BRUTO AANVANGSRENDEMENTEN

Bron: MSCI, C&W (2026), bewerking door Achmea Real Estate
RISICO-RENDEMENT (10 jaar)

Bron: MSCI (2026), bewerking door Achmea Real Estate
Institutionele interesse neemt toe
De aantrekkelijke kenmerken van studentenwoningen maken het segment ook steeds populairder bij institutionele beleggers. In 2025 is het transactievolume in Nederlandse studentenhuisvesting uitgekomen op €922 miljoen, meer dan het dubbele van het langjarige gemiddelde. Opvallend was het relatief grote aandeel van institutionele beleggers in het investeringsvolume. Eerdere jaren werden vooral gedomineerd door woningcorporaties en buitenlandse beleggers. In het verleden hebben we Nederlandse institutionele beleggers wel actief gezien in joint ventures maar dit heeft niet geleid tot grote aandelen in de beleggingsvolumes. Een goed voorbeeld hiervan is de samenwerking tussen ABP en Greystar, die zich op betaalbare woningen richt waaronder studentenwoningen.
BELEGGINGSVOLUME STUDENTENHUISVESTING

Bron: RCA (2026), bewerking door Achmea Real Estate
Conclusie
Studentenwoningen vormen een belangrijk onderdeel van de Nederlandse woningmarkt. De vraag naar studentenwoningen neemt in de komende jaren naar verwachting toe. Dit terwijl het tekort van studentenwoningen hoog is en door beperkte nieuwbouwontwikkelingen en een afnemende particuliere voorraad alleen maar hoger zal worden de komende jaren.
De gunstige risico-rendementsverhoudingen en relatief hoge spread ten opzichte van reguliere woonproducten zorgen er daarnaast voor dat studentenwoningen uitstekend in institutionele portefeuilles passen. De groei van de institutionele interesse, zoals in 2025 al zichtbaar werd, zal naar verwachting alleen maar toenemen de komende jaren.
Deel deze pagina

